Tussen april 2024 en januari 2026 heeft Npuls een pilot microcredentials in het mbo gecoördineerd, waarin 27 mbo-instellingen microcredentials hebben ontwikkeld. Doel van Npuls en de MBO Raad met deze pilot was het verkennen van de toegevoegde waarde van microcredentials voor het mbo. Daarnaast wilden zij onderzoeken hoe deze vorm van bewijs van leerresultaten uit kleine leereenheden de komende jaren effectief een duurzaam door het mbo kunnen worden ingezet. Het uitgangspunt hierbij was dat elke microcredential uniek is, met een herkenbare leeruitkomst en geborgd op basis van een afgesproken kwaliteitskader dat voor de pilot is gezamenlijk is opgesteld. De eindevaluatie van deze pilot is onlangs gepubliceerd. In dit artikel beschrijven we kort de conclusies rond kwaliteitszorg die voortkomen uit de evaluatie.

Europese aanbeveling voor microcredentials
Het Nederlandse mbo sluit met deze pilot aan bij een brede Europese en internationale ontwikkeling die zich richt op het bevorderen van toegankelijke, erkende en flexibele vormen van leven lang ontwikkelen voor alle burgers. In 2022 deed de Raad van de Europese Unie al een aanbeveling voor een Europese benadering van microcredentials[1] met daarin de volgende definitie:
“Microcredential”: het bewijs van de leerresultaten die een lerende heeft behaald na een klein leervolume. Deze leerresultaten zijn beoordeeld aan de hand van transparante en duidelijk omschreven criteria. Leerervaringen die leiden tot microcredentials zijn bedoeld om de lerende te voorzien van specifieke kennis, vaardigheden en competenties die beantwoorden aan maatschappelijke, persoonlijke, culturele of arbeidsmarktbehoeften. Microcredentials zijn eigendom van de lerende, kunnen worden gedeeld en zijn meeneembaar. Zij kunnen op zichzelf staan of tot bredere credentials worden gecombineerd. Zij worden ondersteund door kwaliteitsborging volgens overeengekomen normen in de betrokken sector of het betrokken activiteitengebied.
Het document beveelt de EU‑lidstaten aan om bij de invoering en het gebruik van microcredentials een aantal essentiële elementen te hanteren. Een belangrijk onderdeel daarvan is het toepassen van kwaliteitsborgingsmechanismen voor microcredentials die door diverse aanbieders worden verstrekt. Daarbij wordt geadviseerd om bestaande mechanismen te gebruiken waar dat mogelijk is.
Gezamenlijk kwaliteitskader voor de mbo-pilot
Gebaseerd op de ervaringen uit de hbo/wo-pilot is voor deze mbo-pilot een eigen kwaliteitskader[2] ontwikkeld dat zich specifiek richt op de mbo-sector en dat uitgaat van een eigen intern kwaliteitszorgproces voor het ontwerp, de erkenning en kwaliteitsborging van microcredentials. Het kader is gebaseerd op het zelf formuleren van leeruitkomsten, het aanwijzen van een examencommissie die het eindniveau garandeert en een minimum omvang van 240 SBU.
Het kwaliteitskader bestaat uit vijf criteria voor de kwaliteitszorg van de mbo-instelling:
-
- De kwaliteit van het met microcredentials gecertificeerde onderwijs wordt geborgd op basis van het Onderzoekskader Inspectie van het Onderwijs.
- Het College van Bestuur is bekend met en kiest bewust voor het aanbod van de microcredentials vanuit de LLO-visie van de instelling.
- De instelling heeft een intern kwaliteitszorg-proces ingericht voor het ontwerp, erkenning en de borging van kwaliteit van de microcredentials.
- Er is door de instelling een examencommissie aangewezen welke het eindniveau van microcredential-gecertificeerd onderwijs kan garanderen.
- Er is een vorm van onderwijsevaluatie, inspraak en mogelijkheid tot indienen klachten georganiseerd voor deelnemers van mc-gecertificeerd onderwijs.
Daarnaast gelden binnen het kader de volgende voorwaarden aan het onderwijs:
-
- Het onderwijs dat gecertificeerd wordt met een microcredential is inhoudelijk gerelateerd aan het onderwijs van de instelling. Voor beroepscolleges geldt dat microcredentials gericht zijn op en van belang zijn voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken. Dit kan zowel bestaand als nieuw (door)ontwikkeld onderwijs zijn.
- Duidelijk is wie de beoogde doelgroep van het onderwijs is, indien nodig wat de benodigde voorkennis van de deelnemers is, wat de eventuele toelatingsvoorwaarden zijn en hoe deze getoetst worden.
- Het onderwijsprogramma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende deelnemers mogelijk de beoogde leeruitkomsten te realiseren.
- Er wordt inzichtelijk gemaakt wat de leeruitkomsten zijn en wat het onderwijsniveau en omvang is van de microcredential. De deelnemende instellingen beschrijven dit op een eenduidige manier, in lijn met Europese afspraken (Bologna) rondom de beschrijving van leeruitkomsten en ontwikkelingen in Brussel.
- Instellingen erkennen in principe de (gevalideerde) leeruitkomsten van reeds en/of elders behaalde microcredentials. Of dit eventueel leidt vrijstelling blijft vallen onder het mandaat van de examencommissie of een ander daartoe door de instelling aangewezen orgaan in kader van niet-erkend onderwijs.
- De toetsen ondersteunen het leerproces van de deelnemer en de afsluiting is valide, betrouwbaar, voor deelnemers inzichtelijk en voldoende onafhankelijk.
- De richtlijn voor microcredentials is dat het gaat om onderwijseenheden die in principe niet kleiner zijn dan 240 SBU[3] conform huidige structuur.
Lessen uit de eindevaluatie
Volgens de eindevaluatie creëert het kwaliteitskader ruimte voor experimenteren, maar biedt nog onvoldoende houvast voor toetsing en borging. Ook geven veel kwaliteitszorgmedewerkers die hebben deelgenomen aan zowel de pilot als de eindevaluatie dat ze zoekende zijn naar de verhouding tussen het kwaliteitskader voor microcredentials en de bestaande kaders voor formeel onderwijs. Er is duidelijk behoefte aan een landelijke handreiking en gezamenlijke formats dat meer uniformiteit en transparantie van het kwaliteitsproces voor het ontwikkelen en aanbieden van microcredentials kan bevorderen.
In vrijwel alle casussen van de pilot is de examencommissie betrokken bij de borging van de kwaliteit van de examinering. In sommige gevallen leidde het toepassen van dezelfde aanpak als bij reguliere opleidingen of keuzedelen echter tot onnodig logge processen.
Het advies luid dan ook om al vroeg in het traject het ontwikkelen van microcedentials mee te nemen en de aanpak te bespreken.
Sommige instellingen werken met een aparte LLO-commissie of borgingscommissie, dit hangt vooral samen met de omvang van de instelling en de mate van inbedding van LLO. Grotere instellingen integreren microcredentials binnen reeds bestaande LLO‑structuren, terwijl kleinere instellingen microcredentials inpassen binnen reguliere borgingsprocessen.
Volgens de deelnemende instellingen versterken leeruitkomsten de kwaliteit en herkenbaarheid van microcredentials. Het dwingt ontwikkelteams om expliciet te beschrijven wat een lerende moet kunnen aantonen en deze herkenbaar te maken voor het werkveld.
Kwaliteitszorg is nog grotendeels ad hoc georganiseerd, voornamelijk middels borging door examencommissies en evaluaties met docenten, werkveld en lerenden. Een klein deel van de instellingen die aan de pilot deelnamen heeft de kwaliteitszorg al ingebed in het bestaande kwaliteitszorgsysteem.
Het volledige rapport van de eindevaluatie is te lezen op Eindevaluatie pilot microcredentials mbo | Npuls
Eerdere EQAVET berichtgeving over dit thema is hier te vinden: Kwaliteitszorg van microcredentials: conclusies uit Cedefop symposium en peer learning – NCP EQAVET
Wil je meer lezen over het belang en toepassing van microcredentials in volwasseneducatie, lees dan https://volwassenenleren.nl/microcredentials-erkenning-van-kleinere-stappen-in-leren/
[1] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32022H0627(02)
[2] https://servicedesk.surf.nl/wiki/spaces/WIKI/pages/142573975/Kwaliteitskader+pilot+microcredentials
[3] Tijdens de pilot is geëxperimenteerd met een minimum van 80 SBU omdat volgens de instellingen dat je met 80 SBU beter kunt aansluiten bij de praktijkvraag en dat deze omvang zich duidelijker onderscheidt van andere vormen van onderwijs, zoals mbo-certificaten.