Kwaliteitszorg van microcredentials: conclusies uit Cedefop symposium en peer learning

Kwaliteitszorg van microcredentials: conclusies uit Cedefop symposium en peer learning

Kwaliteitszorg van microcredentials: conclusies uit Cedefop symposium en peer learning 999 1003 NCP EQAVET

Kwaliteitszorg van microcredentials: conclusies uit Cedefop symposium en peer learning

Een van de belangrijkste conclusies van deze bijeenkomsten is dat microcredentials steeds meer een vast onderdeel worden van het veranderende onderwijs- en opleidingslandschap in Europa. Daarbij valt op dat sommige landen een officiële definitie volgens de EU-Raadsaanbeveling (2022) hanteren en hiervoor ook al beleid en wetgeving hebben ontwikkeld (zoals Hongarije), terwijl andere met verschillende terminologie en zonder nationaal beleid met microcredentials experimenteren. Dit is het geval in Nederland, waar onder andere het mbo-certificaat een voorbeeld is van een formele microcredential. Daarnaast bieden ook hoger onderwijsinstellingen en particuliere opleiders korte cursussen aan, al dan niet onder de naam microcredential, en maken zij in toenemende mate gebruik van Edubadges als digitaal bewijsstuk met informatie over de inhoud van de behaalde leeruitkomsten.

Microcredentials vullen vaak traditionele diploma’s en certificaten aan. Veel landen onderzoeken hoe ze deze kunnen opnemen in hun nationaal kwalificatiekader (NQF). Dat moet leiden tot bredere erkenning en meer vertrouwen in de kwaliteit ervan. Ook bevordert dit overdraagbaarheid en aansluiting op bestaande systemen. In Nederland is deze inschaling al sinds het ontstaan van het NLQF mogelijk.

Een belangrijk discussiepunt is het vinden van een balans tussen innovatie en flexibiliteit enerzijds en voldoende kwaliteitsborging anderzijds. Omdat microcredentials flexibeler en wendbaarder zijn dan traditionele diploma’s, moet kwaliteitszorg daaraan worden aangepast. Terwijl sommige onderwijsaanbieders microcredentials opnemen in hun bestaande kwaliteitsborgingskaders, worden andere, met name niet-formele onderwijs- en opleidingsaanbieders geconfronteerd met uitdagingen als gevolg van beperkte of ontbrekende kwaliteitsborgingsprocessen.

De Nederlandse Npuls pilotprojecten onderzoeken hoe het Nederlandse onderwijs- en opleidingsstelsel microcredentials kan inzetten om het aanpassingsvermogen te vergroten. Een belangrijke les uit de pilots is dat het essentieel is een balans te vinden tussen innovatie en flexibiliteit enerzijds, en kwaliteitsborging en regelgeving anderzijds. Veel van de deelnemende instellingen passen de bestaande PDCA cyclus toe en zijn nog bezig met het formuleren van een specifieke aanpak voor de kwaliteitszorg van microcredentials. De kwaliteitscontrole van microcredential examens gebeurt bijvoorbeeld door de examencommissies. Ook het formuleren van leeruitkomsten voor de microcredentials op basis van de NLQF niveaudiscriptoren vraagt nog een inhaalslag. OCW heeft in de pilot als betrokken partij meerdere taken. Het gaat onder meer om het ontwerpen van ondersteunende wetgeving, het ontwikkelen van maatregelen voor kwaliteitscontrole, het monitoren van de voortgang en het nemen van besluiten over toekomstige stappen — zoals de overgang van een projectmatige naar een meer geïntegreerde aanpak.

Tot slot kwam uit de recente Europese bijeenkomsten naar voren dat de kwaliteitszorg moet passen bij de aard van microcredentials. Die zijn immers flexibeler en wendbaarder dan traditionele kwalificaties. Kwaliteitszorgmechanismen voor microcredentials moeten daarom mogelijk op maat worden gemaakt en mogen niet zomaar worden gekopieerd van traditionele systemen.

Meer informatie is te vinden op:

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we er vanuit dat ermee instemt.