In dit artikel worden er voorbeelden gedeeld vanuit verschillende scholen. Deze scholen worden aangeduid met een letter. Deze letters komen uit het onderzoek dat in 2023 is uitgevoerd, en verwijzen naar de scholen die aan dat onderzoek hebben deelgenomen.
In deze reeks artikelen over het versterken van werkplekleren, brengen we ontwerpregels in kaart die het onderwijs en werkveld dichter bij elkaar brengen. In mei 2023 publiceerde het NCP EQAVET een onderzoek over dit onderwerp.
Onderwijs in het mbo draait om praktijkgericht leren. Nieuwenhuis en collega’s stelde daartoe 11 ontwerpregels op, die gericht zijn op het versterken van de relatie tussen onderwijs en leren in de praktijk. Eerder verschenen er twee artikelen waar deze regels toegelicht werden. Vandaag het laatste artikel in deze reeks: drie ontwerpregels die specifiek gericht zijn op effectieve didactiek en het versterken van leren door praktijkervaringen.
We gingen op pad naar De Rooi Pannen in Tilburg voor praktijkvoorbeelden: deze onderwijsinstelling past deze aanpak in meerdere opleidingen toe. We gingen langs bij hun luchtvaardienstverlening-opleiding , deze opleiding leent zich goed voor voorbeelden die tot de verbeelding spreken.
Simulaties als tussenoplossing
Ontwerpregel 9: gebruik voor het aanleren van specifieke handelingen simulaties

Ontwerpregel 9 benadrukt dat simulaties niet alleen geschikt zijn voor technische vaardigheden, maar ook voor situaties waarin oefenen in de echte praktijk te risicovol of complex is, zoals het runnen van een bedrijf of bepaalde medische handelingen. In dergelijke gevallen zijn simulaties vaak efficiënter en effectiever dan leren op de werkplek (Nieuwenhuis et al., 2017).
Onderzoek toont bovendien aan dat simulaties bijdragen aan de motivatie en het zelfvertrouwen van studenten, doordat zij in een veilige en gecontroleerde omgeving vaardigheden kunnen ontwikkelen die zij later in de praktijk nodig hebben. Bij het ontwerpen van onderwijsprogramma’s is het daarom belangrijk studenten realistische oefenomgevingen te bieden, zonder de risico’s en kosten van de echte praktijk. Technologie zoals Virtual Reality (VR) biedt extra mogelijkheden om complexe handelingen realistisch en uitdagend te oefenen (Nieuwenhuis et al., 2017).
De praktijk in!
Een goed voorbeeld hiervan is te vinden bij De Rooi Pannen. Hier kunnen studenten luchtvaartdienstverlening trainen in een vliegtuigcabine die daadwerkelijk in gebruik is geweest. Deze hergebruikte cabine biedt een ideale leeromgeving waar studenten praktijksituaties kunnen oefenen, zoals het bedienen van passagiers, het geven van veiligheidsinstructies en het omgaan met noodgevallen. In deze veilige en gecontroleerde setting hebben studenten de ruimte om fouten te maken en daarvan te leren, wat hen zelfverzekerd maakt voor hun stages of eerste werkervaring. Dankzij deze veilige en gecontroleerde setting hebben studenten de ruimte om fouten te maken en daarvan te leren, voordat ze aan de slag gaan in de echte beroepspraktijk. Het resultaat? Zelfverzekerde studenten die over de vaardigheden beschikken die ze tijdens hun stages of eerste werkervaring direct kunnen toepassen.
Daarnaast wordt VR-technologie ingezet om studenten realistische scenario’s te laten ervaren, zoals turbulentie, medische noodsituaties en evacuaties. Dankzij deze simulaties leren studenten effectief onder druk te handelen, zonder dat fysieke risico’s een rol spelen. De VR-simulaties bieden een rijke leerervaring waarin studenten niet alleen technische vaardigheden ontwikkelen, maar ook belangrijke sociale en communicatieve vaardigheden. Ze leren bijvoorbeeld passagiers gerust te stellen, duidelijke veiligheidsinstructies te geven en adequaat te reageren op escalaties, zoals een passagier die in paniek raakt of een medische noodsituatie.
Tijdens deze simulaties worden ook communicatieve vaardigheden aangescherpt doordat studenten helder en effectief met passagiers en collega’s moeten communiceren, vaak onder tijdsdruk. Empathie wordt gestimuleerd door het inspelen op de emotionele behoeften van reizigers, en ze ontwikkelen conflicthantering door tactvol om te gaan met boze of verwarde passagiers. Ook teamwork wordt bevorderd, aangezien studenten snel en efficiënt met collega’s moeten samenwerken. De inzet van technologie maakt de training efficiënter en toegankelijker, waardoor studenten beter voorbereid zijn op de dynamiek en uitdagingen van hun toekomstige werkveld.
Ontwerpregel 10: construeer supported participation bij het werkplekleren

Ontwerpregel 10 benadrukt dat supported participation een cruciaal kenmerk is van effectief werkplekleren. Studenten moeten voldoende ondersteuning krijgen om diverse en relevante leerervaringen op te doen. Een goede balans tussen autonomie en begeleiding is hierbij essentieel: studenten moeten zelfstandig kunnen werken, maar niet volledig aan hun lot worden overgelaten. Te veel autonomie zonder voldoende begeleiding kan het leerproces juist belemmeren (Nieuwenhuis et al., 2017). Een succesvolle leeromgeving biedt sociale veiligheid, waar studenten fouten mogen maken, vragen kunnen stellen en kunnen experimenteren zonder angst voor afkeuring. Tegelijkertijd kan een zekere mate van onzekerheid, zoals uitdagingen in nieuwe situaties, juist stimulerend werken voor hun ontwikkeling. Variatie in taken en ruimte voor reflectie helpen studenten actief betrokken te blijven en hun groei te bevorderen.
Kortom, supported participation vraagt om een doordachte balans tussen zekerheid en uitdaging, autonomie en begeleiding, en taakvariatie en reflectie binnen het werkplekleren (Nieuwenhuis et al., 2017).
De praktijk in!
Een voorbeeld hiervan vinden we wederom bij de opleiding luchtvaartdienstverlening van De Rooi Pannen. Hier wordt deze balans gerealiseerd door studenten intensief te begeleiden tijdens hun eerste oefeningen in de vliegveldsimulator, de lokalen die omgebouwd zijn tot vliegveld. Tijdens deze fase ontvangen ze directe feedback van docenten en begeleiders, wat hen helpt om hun vaardigheden gericht te ontwikkelen. Naarmate ze meer ervaring opdoen en groeien in hun competenties, wordt de begeleiding geleidelijk afgebouwd. Hierdoor krijgen studenten meer ruimte om zelfstandig te werken en verantwoordelijkheid te nemen voor hun leerproces.
Docenten bevorderen zelfsturing en autonomie door een balans te vinden tussen begeleiding en vrijheid. In het begin bieden ze structuur met duidelijke stappenplannen en intensieve ondersteuning. Naarmate studenten meer vertrouwen en vaardigheden ontwikkelen, geven docenten geleidelijk meer ruimte en verantwoordelijkheid. Dit doen ze door studenten te laten kiezen uit taken binnen een gestructureerde context en door hen actief te laten reflecteren op hun prestaties.
Het gedrag van de docent verschuift daarbij van instrueren naar coachen. Ze stellen open vragen zoals: “Waarom koos je hiervoor?” of “Wat zou je anders doen?” en geven feedback die gericht is op het proces in plaats van alleen het resultaat. Docenten letten op signalen zoals groeiend zelfvertrouwen, probleemoplossend vermogen en een afname van hulpvragen. Wanneer studenten meer initiatief tonen, bouwen docenten hun ondersteuning verder af, zodat de studenten zelfstandig leren handelen.
Reflectiemomenten vormen een vast onderdeel van het curriculum. Tijdens deze momenten kijken studenten samen met hun begeleiders terug op hun prestaties, wat hen helpt om te leren van hun ervaringen en zich verder te verbeteren. Het effect van deze aanpak is duidelijk: studenten voelen zich ondersteund, maar worden ook uitgedaagd. Dit bevordert niet alleen hun zelfvertrouwen, maar versterkt ook hun probleemoplossend vermogen en zelfstandigheid.
Ontwerpregel 11: bied de student verschillende werkplekken om ervaring op te doen

Deze elfde en laatste ontwerpregel benadrukt het belang van diversiteit in praktijkervaringen voor de ontwikkeling van studenten. Het werken op verschillende leerwerkplekken biedt studenten de kans om hun persoonlijke werktheorie te verbreden en beter te begrijpen hoe theorie en praktijk zich in diverse contexten manifesteren. Door praktijkervaringen te vergelijken en te reflecteren op verschillen, ontwikkelen studenten een dieper begrip van conceptuele frames en leren ze hun kennis flexibeler toe te passen in verschillende beroepssituaties.
Deskundige begeleiding door docenten is hierbij essentieel. Zij moeten studenten goed voorbereiden op wat zij in uiteenlopende praktijksituaties kunnen verwachten en hen ondersteunen bij het reflecteren op hun ervaringen. Zo leren studenten niet alleen verschillen in werkwijzen en benaderingen te herkennen, maar ook hoe zij deze inzichten kunnen integreren in hun professionele groei (Nieuwenhuis et al., 2017).
Door in diverse omstandigheden te werken, ervaren studenten verschillende aspecten van hun toekomstige beroep en ontwikkelen zij een brede set aan vaardigheden. Dit bereidt hen flexibel en goed voor op de arbeidsmarkt (Nieuwenhuis et al., 2017).
De praktijk in!
Bij De Rooi Pannen wordt deze aanpak op inspirerende wijze toegepast. Studenten draaien projecturen op uiteenlopende werkplekken, wat varieert van baliewerk op een luchthaven tot het assisteren bij cateringdiensten. Deze variatie stelt hen in staat om te oefenen met verschillende verantwoordelijkheden en werkomgevingen, waardoor ze niet alleen hun praktische vaardigheden aanscherpen, maar ook hun vermogen om zich aan te passen aan nieuwe situaties versterken.
Het resultaat hiervan is een brede opleiding die studenten niet alleen klaarstoomt voor specifieke taken, maar hen ook aantrekkelijk maakt voor werkgevers die waarde hechten aan flexibiliteit en breed inzetbare competenties. Studenten ontwikkelen hiermee niet alleen vakinhoudelijke kennis, maar ook de vaardigheden die essentieel zijn in een dynamische beroepsomgeving.
Conclusie
Praktijkgericht leren staat centraal in het mbo-onderwijs en vraagt om doordachte ontwerpen van leeromgevingen die theorie en praktijk effectief verbinden. De ontwerpregels van Nieuwenhuis en collega’s bieden handvatten om dit te realiseren, met specifieke aandacht voor het versterken van de didactiek en het benutten van praktijkervaringen. De toepassing hiervan bij De Rooi Pannen, en in het bijzonder in de opleiding luchtvaartdienstverlening, laat zien hoe deze principes tot leven kunnen komen in de praktijk.
Door gebruik te maken van simulaties, zoals een ingerichte vliegtuigcabine en Virtual Reality, oefenen studenten in realistische en veilige omgevingen. Dit stelt hen niet alleen in staat om technische vaardigheden onder de knie te krijgen, maar ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zoals communicatie, empathie, conflicthantering en samenwerking. Voor andere onderwijsinstellingen kan het inzetten van technologie, zoals VR of praktijkopstellingen, een effectieve manier zijn om studenten in een gecontroleerde omgeving complexe situaties te laten oefenen. Een stap-voor-stap aanpak, waarin kleinschalige simulaties worden getest en uitgebouwd, kan een haalbare route zijn om hiermee te starten.
Daarnaast speelt de balans tussen autonomie en ondersteuning een sleutelrol. Bij De Rooi Pannen krijgen studenten in het begin intensieve begeleiding, waarna die geleidelijk wordt afgebouwd naarmate zij meer vertrouwen en competenties ontwikkelen. Andere instellingen kunnen deze aanpak toepassen door een gestructureerd begeleidingsmodel in te richten en reflectiemomenten te integreren waarin studenten actief nadenken over hun leerproces. Dit helpt hen zelfstandig te leren handelen en verantwoordelijkheid te nemen voor hun groei.
Ook het werken op diverse werkplekken versterkt het leerproces, doordat studenten ervaring opdoen in uiteenlopende beroepssituaties en leren omgaan met variatie in werkwijzen. Bij De Rooi Pannen draaien studenten projecturen op verschillende locaties, zoals cateringdiensten en projecten in het werkveld, wat hun flexibiliteit en aanpassingsvermogen vergroot. Onderwijsinstellingen kunnen hiervan leren door samenwerkingen met bedrijven te stimuleren en studenten bewust te laten reflecteren op de overeenkomsten en verschillen tussen werkplekken. Dit maakt hun kennis niet alleen breder, maar ook toepasbaarder in verschillende contexten.
Tot slot is het belangrijk om sociale vaardigheden bewust in het curriculum te integreren. Door scenario’s te ontwerpen waarin studenten niet alleen technische handelingen uitvoeren, maar ook leren omgaan met passagiers, samenwerken met collega’s en communiceren onder druk, worden ze voorbereid op de realiteit van hun vakgebied.
Door deze elementen te combineren, kunnen onderwijsinstellingen krachtige leeromgevingen creëren waarin studenten niet alleen technische expertise opdoen, maar zich ook ontwikkelen tot flexibele, zelfverzekerde professionals die klaar zijn voor de praktijk.
